Sinds mijn moeder er niet meer is, leeft ze voort in herinneringen. Ze zette zich in voor Stichting De Zonnebloem, om mensen met een lichamelijke beperking een dag te geven waar ze nog lang over konden praten. Sindsdien geef ik soms een bos zonnebloemen, bijvoorbeeld als mijn zus jarig is. Een eenvoudig boeket krijgt zo een extra laag: het cadeau dat mijn moeder zelf niet meer kan geven.
Will Smith had gelijk toen hij zong dat Miami the city where the heat is on is. Zodra ik het vliegveld uitloop, slaat de lucht als een warme deken op me. 34 graden Celsius, gevoelstemperatuur bijna 40. Tien minuten buiten en je kleren plakken aan je lijf alsof je bent ingesmeerd met behangplaksel. Kenmerk één: warm.
Miami is groot. Niet “grote-stad-groot” maar “alles-is-een-roadtrip” groot. De plekken die ik wil zien liggen verspreid over kilometers: Dolphin Mall, Little Havana, Miami Beach, het Design District. Mijn oplossing: om de twee dagen verhuizen naar een andere buurt, hink-stap-sprong door de stad. Kenmerk twee: groot.
En zoals altijd bij mijn eerste route: gedoe met transport. Een behulpzame OV-medewerker kijkt me aan met een blik van “dit fix ik wel”.
“Where are you headed?”
Ik noem mijn bestemming.
“Ah, then you need that bus over there… but wait, you have to change, so you’ll need two tickets.”
Voor ik het weet, stopt hij mijn contant geld in de automaat, ramt door het menu alsof hij een computerspel speelt en floept er twee tickets uit – plus een regen aan kleingeld.
Tegen de tijd dat ik het heb opgeborgen, is de bus weg. En hij ook.
De busdienst is simpel: één prijs, maakt niet uit waar je uitstapt. Alleen… weten wanneer je moet uitstappen in een onbekende stad, dat is de uitdaging.
Ik besluit de drukte te verlaten. Google Maps in de hand, richting zoeken, hopen op een volgende bus. Maar lopen in deze hitte is eigenlijk onverantwoord. Toch zigzag ik door woonwijken, nieuwsgierig naar de huizen, de voortuinen, de kleine scènes van dagelijks leven.
Na een tijdje sta ik op een grote, brede straat. Ik check mijn telefoon. Als ik nu zou blijven lopen, is het nog anderhalf uur. In deze hitte. Het voelt ineens te groot, te ver, te onbekend.
Op een bankje bij wat lijkt op een bushalte zit een vrouw in een zorgjasje. Ik vraag of ze in de zorg werkt. Ze kijkt me vriendelijk aan, maar antwoordt in Spaans. Kenmerk drie: Spaans is hier geen extraatje, het is de standaard. Cubaanse, Venezolaanse, Colombiaanse wortels kleuren de stad en haar taal.
Ik laat me naast haar zakken, moe, bezweet, een beetje moedeloos.
Mijn blik dwaalt over de oneindig lange straat. Aan de overkant: een tankstation. Ernaast: een bloemenkraam met maar één soort bloem. Dat ik merkwaardig. Allemaal zonnebloemen, groot en stralend, alsof ze me aankijken. En ik weet: dit is geen toeval, dit komt helemaal goed; löp wa los.
Ik pak Google Translate. Ze werkt inderdaad in de zorg. Ik vertel dat ik uit Nederland kom en zelf ook bij een zorgorganisatie werk. Er ontstaat vertrouwen. Ze vertelt me over een app: Transit, waarop je live ziet waar de bus rijdt en welke kant hij opgaat. Ze laat het meteen even zien.
De bus komt. Ze stapt later eerder uit. Ik zeg haar gedag in het Spaans. Ze lacht, warm en geruststellend, zoals moeders dat doen.