In Cuzco, Peru, verblijf ik in een klein hotel net buiten het toeristische centrum. Geen souvenirwinkels of hordes selfiesticks hier. Alleen een rustige woonwijk, tegen de berg aan geplakt.
Naast mijn kamer slingert een eindeloze trap omhoog. Boven wacht een uitgehouwen kapel, vol bloemen, waar een geestelijke wordt herdacht. Beneden, aan de voet van het hotel, ligt een kerk met een bescheiden plein.
Het is er zó stil dat ik soms dagenlang de enige gast ben. Heerlijk. Want dat betekent dat het personeel tijd heeft om te kletsen en verhalen te delen.
Zo ook Odalys. Een jonge meid die buiten schooltijd in het hotel werkt en tussen de rustige uurtjes door haar huiswerk maakt.
Op een middag sta ik bij de balie en ik vraag haar waar ze vandaan komt.
“Uit een commune,” zegt ze. “Mijn ouders wonen op het land.”
Ik zie het meteen voor me: koeien, kippen, misschien wat schapen.
“Wat doen ze daar?” vraag ik.
Ze glimlacht. “We houden cavia’s.”
Ik knipper even met mijn ogen. “Cavia’s?!”
Ze knikt.
“Voor de vacht?” probeer ik.
“Nee, om op te eten.”
Mijn mond valt open. “Op… te eten?”
Ze kijkt me aan alsof ík gek ben. “Ja! Heel lekker. Doen jullie dat niet?”
Ik voel mijn hersenen kortsluiten. In mijn hoofd rent een cavia in een looprad, niet richting de pan.
“Nee,” zeg ik, terwijl ik een lach probeer te onderdrukken. “Bij ons zijn ze… huisdieren.”
Ze fronst, even oprecht verbaasd.
“Dus jullie eten ze niet? Wat zonde.”