De jeep stopte midden in de mist. “Here we are,” zei de chauffeur. En verdween, alsof hij nooit bestaan had. Voor ons lag een pad van stenen, modder en stilte. Achter ons: niets. Alleen bergen die zich verstopten achter een grijze sluier.
Naast me stond Johanna, mijn ‘travel buddy’. We hadden elkaar eerder op reis ontmoet.
“So this is the beginning?” vroeg ze.
“Or the end,” zei ik.
Hari, onze gids, lachte breed. Klein van postuur, maar met de energie van drie sherpa’s.
“We go up,” zei hij opgewekt.
Ik keek om me heen. “Up where?”
“Up,” herhaalde hij. “Always up.”
De eerste uren gingen door nat zand en glibberige stenen. De lucht rook naar aarde en eucalyptus. Watervallen kletterden als ritmes van de berg. Elke stap voelde als een kleine overwinning.
We lunchten in een theehuis: dampende dhal bhat, rijst, linzen, curry. Hari at met zijn handen, sierlijk, beheerst, enkel met rechts.
“Why only one hand?” vroeg Johanna.
Hij grijnsde. “Right hand is pure. Left hand… toilet business.”
Wij barstten in lachen uit. Hari knikte trots. “Nepali manners, best in the world.”
Aan het eind van de middag kwamen we aan in een houten lodge. Rondom de kachel hingen wij onze natgeregende shirts en sokken op. De soep was simpel, maar het moment perfect. Buiten ruiste de storm, binnen tintelde rust.
De dagen erna vloeiden samen in mist, honderden geiten en magie. Soms brak de zon héél even door, toonde een glimp van de bergen, scherp, haast onwerkelijk. Andere keren was alles wit, alsof we door de werelden van Tolkien trokken.
Hari liep altijd voorop, handen op zijn rug, fluitend. Onderweg wees hij naar twee bomen naast elkaar, bij een stenen rustmonument voor wandelaars. “Bar (banyan) tree,” zei hij. “Resting place for the dead. Two trees, one for life, one for memory.”
’s Avonds leerden we Dumbal, een Nepalese variant van kaartspel liegen en lachen tegelijk. Hari verloor keer op keer en hield zijn handen omhoog. “Western magic!” riep hij.
De volgende dag klauterden we eindeloos omhoog. Het pad leek geen einde te hebben. Mijn benen protesteerden.
Hari draaide zich om. “Little more, then flat.”
Twee uur later hijgde ik. “Hari… this is not flat.”
Hij grijnsde. “Nepali flat, sir. Nepali flat.”
De laatste ochtend stonden we voor zonsopgang op. Poon Hill lonkte of wat daar van over was in de mist. We klommen, stap voor stap, tot we boven stonden, omringd door wolken. Alles wit.
“Maybe today no view,” zei Hari.
Maar toen, één adem lang, trok de lucht open. Een piepkleine glimp, de schaduw van de Annapurna, bijna onwerkelijk ver. En weer dicht.
Hari keek omhoog, glimlachte zacht. “The mountain shows herself only to those who come anyway.”
Ik knikte. “So we were meant to see… just enough.”
“Exactly,” zei hij. “Too much view spoils the mystery.”
We draaiden ons om, de wolken achter ons. En ergens voelde ik dat hij gelijk had: het mooiste zicht is niet de bestemming, maar de reis ernaartoe.