Namasté, neushoorn

De taxi laveerde tussen brommers, toeterende bussen en honden die niet eens opkeken van het verkeer. Naast de chauffeur zat een reisagent met te veel praatjes.
“Sir, I make you special price! Very good trek, very good guide!”
Ik glimlachte beleefd. “No need, my friend. I already have plans.”
Dat had ik niet. Maar soms is nee zeggen de eerste stap van een echt avontuur.

De volgende ochtend, in de ontbijtzaal, zag ik één vrouw die niet Aziatisch leek. Donker haar, een rugzak naast zich en ogen vol nieuwsgierigheid.
“Guten Morgen,” zei ik, meer op gevoel dan op moed.
Ze keek op, glimlachte. “Johanna. From Germany. You?”
“Wouter. From the Netherlands.”
“Ah, travelers with no plan?”
Ik lachte. “Just contours. A few dreams, not a plan.”
Ze boog iets naar me toe. “I want to see rhinos. You could join me. That would be fun.”
Haar stem had iets lichts, iets dat geloofde in toeval.
“Usually,” zei ik, “when people travel with me, strange things happen. So yes, you’ll see your rhino when you least expect it.”

Halverwege de ochtend stuurde ze me haar reisplan door, afgestemd met de reisagent in haar taxirit, een zekere Gopal. Chitwan National Park voor safari, daarna Pokhara, voor een trek richting Poon Hill.
“Tomorrow morning. Be ready,” appte ze.
Ik regelde via dezelfde Gopal een kleine korting voor ons beide en een gratis diner. Hij had blijkbaar ook een restaurant.

Die middag bezochten we Swayambhunath, de Monkey Temple, waar gebedsvlaggen zongen in de wind. In Dubar Square verdwaalden we tussen wierook en straatgelach. ’s Avonds leerde Gopal ons dhal bhat eten.
“Mad honey,” zei hij, en hield een fles omhoog. “One drop and you fly.”
Hij knipoogde. “From bees that feed on rhododendron, very special, little dangerous.”
Johanna lachte. “We better not.”
“Tomorrow,” zei ik, “we chase rhinos, not honey dreams.”

De volgende ochtend reed de bus door bergen die leken te ademen. Langs ravijnen, rijstvelden, bananenbomen, dorpjes vol stof en glimlachen. Het laatste stuk liepen we. Bij de hangbrug werden houtsnijwerkjes verkocht. Een man zwaaide met een kleine beitel en een blokje hout. “Souvenir, sir!” riep hij. Ik wuifde vriendelijk terug.

Die nacht sliepen we in een houten observatietoren, midden in de jungle. De lucht rook naar regen en aarde. In de verte glipten schaduwen door het gras. Reeën, misschien een wilde kat.
Bij het eerste licht schrok Johanna. Een witte olifant stapte langzaam door de nevel. Groot. Stil. Heilig. We hielden de adem in. Toch bleef er iets onuitgesproken in haar blik: de neushoorn ontbrak nog.

We stapten later in een smalle kano. De rivier was spiegelglad. Felgekleurde ijsvogels flitsten voorbij, krokodillen lagen lui in de zon.
Plots versnelde de stroom. De gids spande zijn armen.
“Too close,” fluisterde hij angstig.
Toen zag ik het: een reusachtig, grijs lichaam dat zich uit het water verhief.
De neushoorn!
Johanna’s mond viel open. De camera trilde in haar handen.
Ze lachte, schreeuwde bijna: “I told you it would be fun!”

Later, op de terugweg over de brug, zagen we dezelfde man met zijn beitel. Hij hield iets omhoog. Een klein houten beeldje. Een neushoorn. Perfect gevormd.
“Souvenir,” zei hij trots.

Johanna keek naar mij, dan naar het beeldje.
“Seems your strange things happened again.”
Ik knikte, zacht lachend.
“Namasté,” zei ik.
“Namasté, Neushoorn,” antwoordde ze.

Blokje hout, toekomstig souvenir.