Mijn eerste uur op Curaçao begint in de gedeelde keuken van mijn verblijfsplek. Een ruimte die ruikt naar hete olie, pittige marinades en de scherpe belofte van zelfgemaakte pika – de Antilliaanse Sambal dat hier niet in een kast staat, maar trots midden op tafel alsof het wacht op de volgende durfal die zijn eten in vuur en vlam wil zetten. Achter het fornuis staat een vrolijke Arubaan in felgeel shirt, zwaaiend met een houten lepel alsof hij het Caribisch Orkest dirigeert.
“Mi ta Gino. En jij?”
“Ik ben Wouter, leuk kennis te maken.”
Hij knikt, lacht, kijkt me onderzoekend aan.
“Hee Wout. Ik noem jou Wout. Mag dat?”
Hij glimlacht breed. “Maar… ben jij ook écht een Wout?” 👮
Gino is wat ik een long stayer noem: iemand die langer op zulke plekken verblijft, vaak met eigen pannenset in de bagage. Soms op doorreis omdat het visum afloopt, soms werkzoekend, altijd een beetje in overlevingsmodus. Met een glimlach die doet vermoeden dat hij meer havens heeft gezien dan de meeste schepen.
De dagen erna roept hij me steevast Wout:
“Hee Wout, al naar Punda Vibes geweest?”
“Hee Wout, Plasa Bieu, moet je doen!”
Curaçao is prachtig – dat zeggen de locals ook tegen elkaar, alsof ze het zelf moeten blijven geloven. En ja, de stranden en het Briónplein naast de beroemde Emmabrug bruisen van muziek, warmte en kleur. Maar tussen de vrolijke klanken zitten fluisterende stemmen. Mannen die me op straat voorbijlopen en zachtjes “Hey” zeggen, gevolgd door een discreet handgebaar naar hun neus. Geen twijfel mogelijk waar ze het over hebben. Of: “Ik heb alles, laat maar weten.”
Blijkbaar is mijn gezicht een soort wandelend reclamebord voor ‘Nederlander met soft spot voor Amsterdamse toleranties’. Ik heb er niets mee. Sterker nog, het begint te irriteren.
Op een middag weer zo’n moment:
“Hey man, alles goed?”
“En… zoek je nog…?”
Voordat ik kan antwoorden, vang ik in mijn ooghoek een felgeel shirt. Gino, bepakt met verse ingrediënten van De Pontjesmarkt. Daar liggen de Venezolaanse bootjes aangemeerd, hun kramen vol knalrode pepers, groene mango’s en vis die nog naar zee ruikt. Hij ziet me, ik knik, hij heft zijn arm en roept over het plein:
“Hee Wout!”
De dealer verstijft, kijkt alsof iemand het licht in zijn hoofd heeft uitgeklikt en verdwijnt tussen de mensen. Vanaf dat moment geen gefluister meer. Geen handgebaren. Geen aanbod.
Alleen Gino, elke dag, met een grijns:
“Hee Wout.”
En misschien is dat wel de les van Curaçao: soms heb je geen politie, geen preek en geen plan nodig. Soms heb je gewoon een Gino nodig.