Het busje klauterde omhoog langs de slingerende weg naar Sarangkot. Links lag het Phewa-meer dat glinsterde als vloeibaar glas, rechts de toppen van de Annapurna’s die zich losmaakten van de ochtendnevel. Naast me zat Sachin, mijn piloot. Een jonge man, al twintig jaar in de lucht.
“Most of my friends left Pokhara,” zei hij. “But I stayed. I have my family, my mountains, my sky.”
Ik glimlachte. “Not a bad trio.”
Hij knikte tevreden. “You will see. The sky here remembers faces.”
Boven op de berg controleerde Sachin de lijnen, keek me aan. “You ready, my tall friend?”
Ik knikte, iets te dapper.
“Then trust the wind. She knows the way.”
Een paar stappen, een ruk aan het harnas en de grond verdween. We zweefden. De stilte was oorverdovend. Alleen de wind zong, hoog en helder. Onder ons lag Pokhara als een postzegel.
De thermiek tilde ons hoger. Een roofvogel dook op uit het niets en cirkelde mee, alsof hij nieuwsgierig was naar deze indringer.
“Eagle,” zei Sachin. “He comes often. Maybe he thinks you are one of us.”
Hij wees naar beneden. “That is Sarangkot View Point. Left, the Manakamana Temple, people go there to make wishes.”
Even later: “See the white dome? That’s the World Peace Pagoda. And far behind it, Pumdikot Shiva, the tallest Shiva statue in Nepal.”
De wind trok aan. Het harnas piepte. Ik voelde de draai in mijn maag komen.
“You okay?” vroeg hij.
“Little dizzy,” zei ik.
“Good,” grijnsde hij. “Means you are really flying.”
We maakten nog een laatste bocht. De bergen leken dieper, de lucht dunner. Toen — langzaam — daalden we richting het meer. De wind hield ons vast tot het laatste moment.
Bij de landing zakte ik door mijn benen, half lachend, half duizelig. Sachin stond al naast me met een flesje water.
“Here. Breathe. You did great.”
Ik keek omhoog, waar onze schaduw nog even over het gras gleed.
“Unforgettable,” zei ik.
Hij knikte, handen in zijn zij.
“You know,” zei hij, “you are the tallest passenger I ever had.”
Ik lachte. “So I made history?”
“Maybe not history,” zei hij, “but a story I’ll tell my children.”
De wind streek nog één keer langs mijn gezicht, alsof ze afscheid nam. En ergens boven Pokhara vloog de adelaar nog steeds zijn rondjes, zoekend naar die twee stipjes die even deel van zijn hemel waren geweest.