Alle gekheid op een stokje

Japan laat zich beleven én proeven. Ik herinner me de bruisende marktkramen, de geur van gebakken olie en zoete dampen. De sissende wokken, het geroezemoes van mensen die eten als kunst beschouwen. Zelfs een stokje wordt hier met eerbied vastgehouden.

De eerste keer dat ik ermee probeerde te eten, verloor ik halverwege mijn sushi in de sojasaus. Een meisje naast me giechelde zacht. Ze pakte een stukje rijst, hield haar stokjes wat lager vast en zei: “Niet knijpen. Laten dansen.”

Tijdens mijn reis ontmoette ik Kodo, een oud-collega die ooit in Nederland studeerde, inmiddels professor aan de Yokohama National University. We hadden elkaar zeker vijftien jaar niet gezien. Eén berichtje was genoeg: hij nodigde me meteen uit in zijn woonplaats en nam me mee uit eten.
Dat bleek een zegen, want het menu zat vol Japanse tekens zonder één foto van wat dan ook. “Kies maar iets,” zei hij glimlachend.
Ik prikte willekeurig een regel aan.
Hij barstte in lachen uit. “Alleen jij, Wouter, kan uit honderden gerechten precies de Japanse versie van de kroket kiezen!”

Tussen de happen door vertelde hij over zijn land. Hoe Japanners van jongs af aan leren om geen last te zijn voor anderen. “We worden niet opgevoed om te schitteren, maar om op te gaan in de groep,” zei hij. Ook liet hij zien dat onder elke tafel een mandje staat; daarin kun je je tas neerzetten, schoner dan op de vloer. Ik keek rond. Alles in harmonie. Alles afgestemd.

Reizende door het land veranderde wat er op die stokjes zat.
In Takayama proefde ik dango — drie zachte bolletjes van rijstmeel, zoet en glanzend, in kleuren die deden denken aan de seizoenen. De lente smaakte naar sakura, de zomer naar matcha, de herfst naar sojasaus en geroosterde sesam.
In Yokohama volgde ik mijn neus naar een dampend bakje dim sum. Kleine kunstwerkjes, gestoomd tot perfectie, gevuld met garnaal, kip of lotuswortel. Een oud vrouwtje tikte met haar stokjes tegen mijn bakje. “Eten is delen,” zei ze, en schoof me de laatste dumpling toe.

Later, in Chinatown in Tokio, glansde iets aan een kraam in de zon.
Tanghulu.
Rood fruit in een kristallen jas van suiker, als juwelen aan een stokje. Eén hap, en de knap van karamel, gevolgd door de frisheid van aardbei. De wereld smolt even weg.

En toen was er de kikker. Gefrituurd, krokant, met de trotse blik van de kok.
Ik glimlachte, bedankte vriendelijk en dacht: sommige dingen hoef je niet te proeven om te weten dat ze gewoon gekheid op een stokje zijn.

Sissende wokken.